SOEPJE
✎ BewerkenIngrediënten
| Ingrediënt | Hoeveelheid | Eenheid |
|---|---|---|
| Kippenbout | 2 | — |
| Wups | 750 | g |
| Laurierblad | 2 | — |
| Kruidnagel | 2 | — |
| Foelie | 4 | — |
| Peperkorrels, gestoten | 6 | — |
| Witte wijn | 300 | ml |
| Selderie | 3 | tak |
| Sjalotten | 3 | — |
| Kokkels | 750 | g |
| Oestervocht | — | — |
| Prei | 1 | — |
Bereiding
Warme soepborden. Trek van de kippenbout met ¾ van de wups, de specerijen een heldere bouillon van 2,7 liter. Reinig de kokkels; let op ze kunnen zeer zanderig zijn!. Doe in een ruime pan een klein bodempje water, 300 ml witte wijn en de rest van de wups zeer fijn gesneden, breng aan de kook en laat 5 min trekken. Voeg de kokkels erbij en laat op hoge stand met deksel erop de kokkels open springen, schud 1 à 2 maal om. Schep zodra ze open zijn de kokkels eruit in een vergiet, passeer het kookvocht (let op: veel zand) en bewaar. Passeer de kippenbouillon, pluk het vlees van de bouten en snij of pluk het vlees in kleine reepjes. Proef de bouillon, als te flauw, evt. nog wat inkoken en wat bouillonpoeder toevoegen. Snij het wit van de prei in dunne halve ringen, de selderie plukken en grof snijden, blancheer in wat bouillon. Voeg kippenbouillon, kokkelvocht en oestervocht, de prei en selderie met vocht bij elkaar, verwarm, proef en breng op smaak. Verdeel het kippenvlees in borden. Verdeel het kokkelvlees + een paar schelpen ter garnering. Schenk de hete bouillon er bij.